Bezwaarlijk kan ik mij voorstellen, dat de naam van hun stad voor een behoorlijk aantal Antwerpenaars niet in de eerste plaats een reeks toekomstbeelden en eventueel -zorgen zou oproepen. Dit moet uiteraard het geval zijn voor wie bij het economische en politieke leven betrokken is, mét of zonder de bekommernis van het heil der plaatselijke gemeenschap op de achtergrond.
Evenmin is overigens de man in de straat ongevoelig voor wat de dag van morgen de stad aan de Schelde brengen kan. Hangen zijn dagelijks brood, zijn welstand, al dan niet bescheiden, er niet van af? Wanneer je er zijn aandacht op vestigt, zal hij je woorden volmondig beamen. Huichelen is niets voor hem. De zorgelijke trek om de mond, die hij tijdens zo’n gesprek produceert, mag je als volkomen oprecht beschouwen. Inmiddels zal hij je er met flukse spoed van overtuigen, datje beslist trek hebt in één of ander goed aangeschreven brouwsel, liefst van plaatselijke makelij, om dan meteen prompt tot de dagorde, ik bedoel een andere dagorde over te gaan. Ook wat de eigen stad, de eigen gemeenschap betreft tilt de extraverte, wat luidruchtige Sinjoor niet zwaar aan toekomstige, voor hem zoniet denkbeeldige, dan toch grotendeels abstracte problemen. Beluister de small-talk aan de tapkasten van de ontelbare kroegen. Lang duurt het niet, vooraleer je merkt, dat de moeilijkheden wat betreft de vlotte bevaarbaarheid van de Schelde voor mammoettankschepen minder commentaren uitlokken, dan het zoveelste corset, ditmaal van metalen stellingen, sinds mensen-geheugenis opgetrokken rondom Onze-Lieve-Vrouwetoren.
Men kan er zich over ergeren, men kan er zich vertederd door voelen. Veranderen kun je het echter niet. Ook de zich vooruitwerpende slagschaduw van het jaar 2000 blijkt geenszins te verhinderen dat de heftige, ja, gepassioneerde liefderelatie tussen de Antwerpenaar en zijn stad haar schier libidineus te noemen kracht uit het verleden betrekt.
In feite is het een vreemd verschijnsel. Wie de oorzaak er van op het spoor wenst te komen kan slechts gissingen opperen. Zeker heeft het op paradoxale wijze met het verschijnsel te maken, dat de realistische Sinjoor, die een kat een kat noemt en zich geen appelen voor citroenen laat verkopen, hoofdzakelijk in het heden leeft. Tegelijkertijd voelt hij evenwel intuïtief dat, in de filosofische zin des woords, het heden slechts de onbestaande tijdsgrens tussen toekomst en verleden is. De toekomst acht hij, man die met beide voeten op de grond staat, ondoorgrondelijk, doch in het heden, hoe vluchtig ook, mondt concreet het verleden uit. Gering is het aantal van mijn stadsgenoten, die voldoende historisch beslagen ten ijs komen om zich een voorstelling te vormen van het alleroudste, zelfs van het middeleeuwse Antwerpen. Voor zo ver zij zich in het denkbeeld verdiepen, behoort alles, wat voor het jaar 1500 komt, voor hen tot de ‘dark ages’.
Natuurlijk kent men de Romeinse held Silvius Brabo, de krachtpatser uit de locale mythologie. Prijkt zijn standbeeld niet vlak tegenover het Stadhuis op de Grote Markt? Het is zo veel als een laat gebaar van dankbaarheid der bevolking ten opzichte van hem die reus Druon Antigoon, nachtmerrie van de voorhistorische Scheldeschippers, een [...]

rechercher des articles similaires par catégorie
rechercher des articles similaires par thème: