Het is gemakkelijk verklaarbaar dat door de eeuwen heen en overal de kunstenaar, die te gelijkertijd de schilderkunst en de tekenkunst beoefent, meer overheeft voor zijn picturaal oeuvre dan voor zijn grafische werken, die hij als van ondergeschikt belang beschouwt. Hetzelfde geldt voor de doorsnee kunstliefhebber. Het schilderij bedraagt zintuiglijke bekoorlijkheden die in een wezenlijk echte tekening minder onmiddellijk aanspreken en er trouwens minder in aanwezig zijn. Het schilderij stelt schijnbaar meer vakkundige eisen, het vergt een fysisch en visueel plastische volkomenheid met inbegrip van de kleurwaarden- en schakeringen door het natuurlijk licht opgewekt, die tot de loutere tekening niet « wezenlijk » behoren. En nochtans komt noch de schilder, noch enig ander kunstenaar klaar zonder de tekening, al beweert hij zo geredelijk dat hij doorgaans vooral tekent ’s avonds, « bij de lamp », wanneer hem het natuurlijk licht ontbreekt om te schilderen.
Het kan evenwel niet worden ontkent dat er geen kunst is waarin de beeldont-werpende mens geestelijker scheppend werkt dan in de tekening, waarin hij kernachtiger en directer zijn inzichten, zijn gewaarwordingen, zijn aandoeningen, zijn dromen, zijn smarten en liefden in vrij geïnventeerde vormen « uitschrijft ».
Wie zal niet toegeven dat de tekening aan de grondslag ligt van alle vormgeving, dat zij de uitdrukkingsvorm van het essentiële is, van wat de beeldenschepper doorpeilend « ziet », van wat hij « denkt », van wat hem bezielt en vervoert, kortom van wat hij innig, zij het psychisch beleeft en, zo het zijn hoogste betrachting is, in een picturale schepping wil omwerken en voleinden ? Want daar gaat het bij Felix De Boeck precies om, ’t is te zeggen om de uitdrukking van een innerlijke zielsbewogenheid, om de vergeestelijking van een menselijk gelaat, om de weergave van de volgehouden spanning eener ritmisch herhaalde beweging, om de verzinnelijking van de wonderbaarlijkheid der steeds hernieuwde levenskracht van een ontluikende bloemenknop. Zo komt het dat hij gewoonlijk een centraal punt aan zijn schepping aanbrengt, waarin hij zijn inzicht te lezen geeft; zo komt het dat hij een zeer groot aantal zelfportretten heeft getekend en geschilderd waarin hij zichzelf uitbeeldt, niet omwille van zijn natuurlijke wezenstrekken maar omwille van de bepaalde innerlijke gemoedsgesteltenis waarin hij gebeurlijk verkeert.
Welk schilderij ook wordt door een manier van tekenen geconstrueerd, hetzij de lichamen, voorwerpen en andere bestanddelen ervan met het penseel worden omzoomd, hetzij ze door de tegenover en in elkander werking van de kleurenvlakken en -massa’s tot een geheel — tot een samenhorende compositie — worden opgebouwd. Zelfs in schilderijen zoals b.v. die van Van Gogh — en die van Felix De Boeck behorende tot zijn zgn. Van Goghiaanse periode — wordt er meer met penseel en kleuren getekend dan specifiek picturaal gewerkt. Om er zich van te overtuigen volstaat het de met penseel, wit en zwarte of bister-tekeningen van Van Gogh met zijn schilderijen te vergelijken. Hoeft er wel op gewezen dat zulks noch de artistieke waarde, noch betekenis van deze scheppingen niet in de minste maat vermindert.
Nu is de tekening voor Felix De Boeck van zulk belang dat zij door hem, als zodanig en haast dagelijks beoefend werd om aan zijn waarnemingen, levens- en [...]

rechercher des articles similaires par catégorie
rechercher des articles similaires par thème: